TEKSTEN




KOPFKINO


OPENINGSWOORD DOOR GEERT SCHRIEVER, CONNAISSEUR

voor Evelyn Snoek en Hans Könings

De verhalen ((of het ontbreken (van delen) ervan)) KOPFKINO heet het hier vandaag. KOPFKINO: nur oder hauptsächlich in der Fantasie, in der eigenen Vorstellungskraft ablaufende Vorgänge, Geschehnisse... Daar wil ik het over hebben: Geshehnisse, gebeurtenissen, of verhalen die we vermoeden te zien of liever: fragmenten uit de Kopfino’s van Hans en Evelyn, even in deze volgorde omdat de een de ander uitnodigde. De een Hans, oude bekende en goede vriend, en die erbij kwam is Evelyn, nieuw gezicht en voor mij tot dan onbekend werk. Ik ging eens kijken. Kijken of ik overeenkomsten of juist grote verschillen kon ontwaren, kon ik duiden? En wat me meteen opviel is dat je bij allebei maar fragmenten ziet, kleine stukjes verhaal, tipjes van sluiers in dit werk -wat zo goed samenvalt in deze tentoonstelling- zijn ons toeschouwers slechts gegund. Invullen wordt er van ons verwacht om het te begrijpen. Let op! binnen de lijntjes blijven anders wordt je afgeleid. Bij Hans waar de comic en filmstills zo duidelijk van invloed zijn, zijn taal geworden, zie je een vlak plaatje, vlakker kan niet, hooguit 2 kleuren. Eigenlijk is het zwart/wit met een steunkleur, uitvergroot met een voorstelling die mij jongensdromerig lijkt, uit het universum vlak naast het reële en bij Evelyn zie je die bommen kleur en materie. Gebalde energie maar door de vorm: het samenvouwen, het weer dichten, geconcentreerd op zo weinig vierkante centimeters móet wel het 3D worden, het wordt van het frame de ruimte in geperst en geduwd. Zoveel te vertellen allebei en zo weinig meteen duidelijk. Je wilt bij Hans óók de tussenliggende plaatjes zien en bij Evelyn vraag je je af wat de samenvouwing verborgen heeft. hauptsächlich in der Fantasie, in der eigenen Vorstellungskraft Jawohl daar staat het toch: de eigen voorstellingskracht daar kijken we hier naar, dit is de keuze, hier moeten we het mee doen. Zien, kijken, tasten, ruiken we verder... Een noodlanding van de heilige geest: Zien we bij deze kunstenaars wellicht niet fragmenten maar samenvattingen? Waarvan doen de linoleumsnedes verslag? Die mooie vrouw en de hartverscheurde jongen, de wuivende boom met de wijzende robot die zo door dat witte gat gaat stappen -of misschien ook niet- en het nachtelijk vliegtuig met de jonge geoloog, zijn het hoofdrolspelers of figuranten? Waar verbinden zij zich: hauptsachlich in der Fantasie. En dan de die klonteringen, die opgeborgen kleurvlakken, die tot raadsel gemaakte eerdere verhalen voordat ze gevouwen werden: pure verleiding. Geiligheid die ook ordening is: de uitwaaieringen die gekadreerd werden, zijn die misschien verlegen en existeren zij in valse bescheidenheid? De bronnen bevinden zich in ieder geval: hauptsachlich in der Fantasie. Hans haalt door zijn techniek -die hij tot in de puntjes beheerst- de rasterpunten, het grid waaraan de afbeelding zich normaal vasthoudt, helemaal weg en komt tot ver doorgevoerde, ik zou het kaalheid willen noemen. Volledig gestripte voorstellingen in keihard zwart-wit en gek genoeg of daardoor roepen ze emoties op. Dat deden de grijsgetinte foto’s waar ze vandaan komen eigenlijk niet meer omdat zij die afgebeeld werden en zij voor wíe ze afgebeeld werden: de geliefden, allemaal dood zijn. De kijker is veranderd, dat zijn wij geworden en Hans heeft de beelden vertaald voor ons naar die kaalheid waardoor ze een andere lading dan voorheen gekregen hebben. In Duitsland heeft iemand dat proces ooit als atomisiert omschreven: ge-atomiseerd en dat vind ik prachtig. Evelyn is aan het schilderen maar zij is het schilderij voorbij. Zij stapelt, giet, vouwt, duwt en trekt en hergroepeert. Het mer a boire dat het was, the sky is the limit wordt door haar met discipline juist teruggebracht, weer geconcentreerd naar een raster van verleidelijke, raadselachtige object-achtige materiaaldingen. De som der delen is een verzameling die geheimzinnig existent is, van wachters die iets lijken te bewaken, behalve het werk Window: dat flapt het er letterlijk uit en is bijna hoerig in de presentatie van haar werkelijkheid. hauptsächlich in der Fantasie, in der eigenen Vorstellungskraft Maar die hebben wij als kijker ook, laten wij onszelf belonen door de geheimen te ontfutselen met onze eigen Vorstellungskraft en de kunstenaars bedanken voor de aangereikte werken die (ook nog) zo mooi zijn en waar zoveel aan te beleven valt.

Geert Schriever Den Haag, zondag 24 IV 2016




Het probleem om te definiëren wat een schilderij in feite is, zonder in formele uitspraken te vervallen, wordt moeilijker naarmate het werk persoonlijker wordt en dichter bij de beschouwer komt. Het gaat een relatie aan, zonder dat het een gezicht krijgt.

‘Een schilderij is geen venster waardoor je in de verte kunt kijken; driedimensionale effecten zijn pure illusie. Een schilderij is een plat oppervlak waarop verf zit.’

Vroegere abstracte schilders hadden het belang van vlakheid onderkent, maar wisten niet hoe ze verder moesten gaan. Ze gebruikten verf op een manier waardoor een vlak nog altijd verdeeld werd in lijnen, vormen, contouren en kleuren. Tot er een moment kwam dat het vlak niet meer gebruikt werd als drager van een al dan niet herkenbare voorstelling, maar als arena voor een gebeurtenis, een event. Op het oppervlak van het schilderij wordt het schilderproces ten tonele gevoerd, dat is te zien, en dat is ook het enige dat te zien is. Een volgende stap is om het doek van het raam te nemen, en het als object te beschouwen. Een object dat gemanipuleerd wordt, bijna tot sculptuur wordt verklaard. De schilderkunst van Evelyn Snoek is een pleidooi om te vergeten wat je over schilderen hebt geleerd, en om te vergeten wat je daarbij precies hebt gezien. Het is een onderzoek naar de fundamenten van het schilderen zelf, en tegelijk een verkenning naar wat kleur in een ruimte betekend. Daarbij is haar atelier als een laboratorium waar onderzocht wordt wanneer een schilderij ophoudt een schilderij te zijn, wanneer het massa krijgt, zich als object met de ruimte verhoudt. Daarbij wordt de rol van de drager, het spieraam, ter discussie gesteld. Wat is nu precies het schilderij? Het gedeelte wat op het raam gespannen zit, of de drager, of horen ze onlosmakelijk bij elkaar? En is een schilderij nog een schilderij als het opgerold in een hoek ligt, en we alleen nog sporen van verf op de randen kunnen zien? En is het nodig dat verf een doek nodig heeft om een schilderij te zijn? Vragen die vaak erg theoretische verhandelingen opleveren, maar door Evelyn Snoek op een briljante manier en zeer afdoende manier worden beantwoord.

Het atelier is overvol met resten. Resten opgedroogde verf, resten kapot linnen, resten verpakkingsmateriaal waar verf op gemorst is, stapels besmeurde bakken; op alles zit verf. Op de spieramen, op papier, op stukken rubber. Maar dan valt ineens een regelmaat op. De resten opgedroogde verf blijken een stapel te vormen, een sculptuur in de vorm van een doos, of een nieuw, dik schilderij. Stukken dik beschilderd doek, van het raam genomen, op elkaar gelegd zodat een dikte, een volume ontstaat, vellen van verf, huiden van kleur. Er is weinig vorm, er zijn geen lijnen, geen contouren, er is alleen nog maar materie en kleur.

Als je het atelier binnenkomt, is dat het eerste wat je ziet; een verzameling kleurige diamantjes, glinsterende toffeepapiertjes, een oogverblindende schatkamer vol kleur. Je zou alles op een witte muur willen plaatsen, of op een tafel leggen als een verzameling schelpjes of mooi gekleurde stukjes glas. Maar het zijn wel degelijk schilderijen, hoewel ze niet lijken te voldoen aan wat we onder schilderijen verstaan. Het zijn ook sculpturen, verfsculpturen die de ruimte dwingend bepalen. Er is geen enkele terughoudendheid, geen gêne, ze doet wat ze nodig vindt. Resten beschilderd linnen worden versneden en weer in elkaar gevlochten, ogenschijnlijke verfresten van een palet geschraapt en op elkaar gesmeerd, laag na laag na laag, zodat zich een nieuw beeld vormt. Gecontroleerde explosies van verf. En die controle is belangrijk. Het is alles nauwkeurig geregisseerd, ze weet precies wat ze doet. Je kijkt niet naar een stapel schijnbaar slordig op elkaar gelegde beschilderde doekjes, het is een stapeling dat nu een verf-object is, uiterst precies gerangschikt, het juiste aantal, op de enig goede manier passend.

Er is een absolute noodzakelijkheid voor het werk van Evelyn Snoek. Het gaat ver voorbij aan theoretische beschouwingen. Natuurlijk is het minimalistisch, fundamenteel en conceptueel. Maar tegelijk ook erg romantisch. Je valt voor de fantastische kleuren en vormen, je wordt direct uitgenodigd verhalen te verzinnen, en je nieuwsgierigheid wordt gewekt naar wat zich daarvoor op die doeken heeft afgespeeld. Waar die vellen verf van afkomstig zijn. Wat speelt zich af op die opgerolde doeken. Het is alsof er in een verleden schitterende landschappen, stillevens en naakten zijn ontstaan, en daarna in een vlaag, als in een explosie, versneden, verscheurd, vertrapt. En dan bij nader inzien weer zijn gereconstrueerd, in elkaar gevlochten, opgerold, de verf gehergroepeerd, de weggegooide stukken linnen op elkaar gelegd. Alles in een nieuwe schikking, in een andere volgorde. En volkomen onder controle. Het moment van dit besluit is van het grootste belang. Er is ongetwijfeld veel aan voorafgegaan. Dat maakt nieuwsgierig en verwachtingsvol.

Het is als het eind van een lang traject; er zijn geen wegen meer, toch moeten we verder.

Hans Könings
Berlin, augustus 2014


RECYCLE


In het werk van Evelyn Snoek is het hergebruik van materialen steeds vaker het onderwerp van haar kunst. In recent werk slaagt zij er zelfs in de beelddrager weg te laten en slechts gebaren in verf te tonen, waardoor zij haar werk weet terug te brengen tot de essentie. Een bewuste, interessante keuze na een ontwikkeling van jaren schilderkundig onderzoek.
Het intensieve, veelzijdige onderzoek van de afgelopen tien jaar laat de worstelingen zien met materiaal en beelddrager. In klein werk wordt bijvoorbeeld geweven textiel nagebootst in dikke lagen acryl en olieverf die in een monochrome kleur zijn aangebracht, waardoor het geheel eruit ziet als bewerkt steen of beton (“Tastbaar”, 2003). In een andere serie werken wordt er geen illusie van weefwerk geschilderd maar wordt er daadwerkelijk met diverse materialen geweven. De stroken tape en beschilderde repen textiel leiden tot een nieuw werk maar zijn eigenlijk hergebruikte materialen uit een eerder maakproces. De materialen worden door de kunstenares opnieuw gerangschikt waardoor er een intrigerend nieuw werk ontstaat, echter zijn de sporen van eerdere handelingen nog duidelijk zichtbaar (“Weefwerk”,2003).
Later wordt de tape nog vrijer toegepast en ontstaan ruimtelijke voorstellingen die in beweging lijken te zijn over de beelddrager, daarbij zelfs het spieraam blootleggend. In deze serie is duidelijk de nieuwsgierigheid en durf van de kunstenares te zien die afwijkt van gebaande paden (“Plooibaar”, 2006). In een ander werk worden fragmenten van gedroogde lagen verf opnieuw aangebracht op een canvas waarbij een spannende collage van vorm en kleur ontstaat, zoals in het werk “Multi” uit 2008.
Combinaties tussen tape en geschilderde banen verf leiden tot een expressionistisch lijnenspel en aantrekkelijke abstractie in de serie “Kanteling” uit 2009. Steeds vaker is dan ook het verschil in materiaal en beelddrager te zien, soms is de aanwezigheid van de originele beelddrager nog zichtbaar, zoals in het werk “Vierkant” uit 2011. Echter bestaat het werk hier alleen uit het losgemaakte beschilderde canvas. In het werk “Folded en “Rol” wordt het schildersdoek opgerold of gevouwen. Het schilderij is ruimtelijk object geworden, de voorstelling op het canvas is niet langer zichtbaar, dit maakt de kijker nieuwsgierig naar die betreffende voorstelling. De neiging ontstaat om de rollen weer in hun originele staat terug te brengen.
In het werk “Veld” uit 2011 weet Snoek tot de essentie van haar werk te komen, de verf is losgemaakt van de beelddrager. Een fragiele, dunne laag acryl en olieverf resteert, bevestigd direct tegen een muur of liggend op de grond.
Toch is het recente werk geen eindpunt na gedegen onderzoek. Er is een minimalistische werkwijze ontstaan die op een gegeven moment weer hergebruikt kan worden. Gerecyclede lagen verf verschijnen uiteindelijk wellicht weer op canvas of op andere beelddragers. Hergebruikt materiaal wordt opnieuw gerangschikt in figuratieve of abstracte vormen. De machine is weer van voor af aan begonnen.

(Tekst: Gurt Swanenberg, 2012)


("Zwart Vierkant" / "Black Surface", 2011) Soms wordt een schilderij heel wat aangedaan als het al een schilderij is, waardoor het verandert in een ander schilderij of in ieder geval een ander soort statement over (schilder)kunst. Evelyn Snoek presenteert bijvoorbeeld een liggend schilderij dat letterlijk is opengevouwen. Het ziet eruit als een slordig vierkant met flappen aan de kanten. Het ziet er ook uit als een voorwerp dat heel wat heeft meegemaakt. Ruwweg was het procedé als volgt: het schilderij is bedekt met lagen verf, waar overheen nog eens een zwarte laag. Daarna is het over de grond gesleept en tenslotte nog een keer zwart afgedekt. En daarvan draagt het de sporen. Het is door al die grove behandelingen op het eerste gezicht een slachtoffer, een schilderij gereduceerd tot een stapeltje onaanzienlijke resten van wat het misschien ooit geweest is of ooit geweest had kunnen zijn – dat weten we niet, we kennen het werk alleen in deze staat. De beschouwer kan het schilderij beklagen, het verkeert in een meelijwekkende conditie. Maar je kunt ook anders redeneren (en kijken): wanneer we ons de essentie van het mens zijn voorstellen weten we misschien niet precies waar we het over hebben, maar ik denk niet dat we dan denken in termen van uitbundige schoonheid, behaagzucht, decoratie, tierelantijnen, toeters en bellen. Dit schilderij is naar alle maatstaven nog steeds een schilderij: verf op een drager. Maar het is niet uitbundig, het wil niet behagen, het leidt niet af van wat het is door decoratie of andere mooimakerij, het is wat het is en een schilderij moet, denk ik heel diep in zichzelf zoeken en graven om zoiets te ontdekken als de essentie van schilderkunst. Het is de vraag of die bestaat en eenduidig is, maar het concept is voorstelbaar, al weten we niets over de vorm behalve dat die waarschijnlijk ‘niet dit, dat of dat’ zal zijn. Dit schilderij heeft de kenmerken van een schilderij en dus is het er één en het toont zich in zijn meest naakte vorm, ontdaan van alles bijzaken: onaanzienlijk in materieel opzicht, maar immaterieel ongebroken (want onbreekbaar). Het is over de grond gesleept, het is zwart gemaakt, het is opengeklapt en nóg is het een schilderij. Je kunt zeggen dat het een gedeconstrueerd schilderij is, maar een gedeconstrueerd schilderij is nog steeds een schilderij, omdat die identiteit nu eenmaal bepaald wordt door de aanwezigheid van twee elementen in relatie tot elkaar: verf en een drager. Als we van de ‘essentie van mens zijn’ verwachten dat die bijvoorbeeld sober, diep en ernstig zal zijn, waarom zouden we een schilderij dat die kenmerken vertoont dan als een slachtoffer beschouwen? Zou er niet eerder sprake kunnen zijn van de viering van de schilderkunst die, nadat haar zo’n beetje alles is aangedaan wat je je maar kunt voorstellen, toch nog steeds schilderkunst blijft? Hoe je het schilderij ook probeert klein te krijgen, kennelijk blijft het overleven. Dat wil zeggen: de kunstenaar voegt door dit gedrag een dimensie toe aan de schilderkunst, dit werk is een afstammeling van het Zwarte Vierkant, in drie dimensies uitgevoerd, en wie daartoe geneigd is kan in de manier waarop dat het geval is, het geweld dat erop is toegepast, een teken van de tijd zien, er is veel gebeurd in de eeuw die verstreken is sinds het oorspronkelijke Zwarte Vierkant en zelfs dat is in één versie al spontaan uit zichzelf gecraqueleerd. Maar zelfs als het schilderij tot ‘bijna niets’ is gereduceerd, zoals in dit geval, levert deze iconoclastische benadering de fundamenten op van een nieuw beeld, zoals in de hele kunstgeschiedenis op destructie altijd weer een nieuw beeld is gevolgd.


("Window", 2011) Een vergelijkbaar verhaal vertelt een ander schilderij, een verticale rechthoek die ooit één beeldvlak moet zijn geweest, waarop voornamelijk evenwijdige horizontale banen zijn aangebracht in twee teruggehouden grijsblauwachtige tinten plus een aantal schijnbaar willekeurige rode vlekken verf. Daarmee wordt automatisch verwezen naar een minimale, seriële en naar een abstract expressionistische traditie, pijlers van het modernisme. Maar die doen nauwelijks nog ter zake, want ongeveer halverwege de hoogte van het werk is het doek uit zijn kader losgesneden zodat de randen van het oorspronkelijke schilderij nu ook als lijst fungeren en het doek dat er ooit inzat naar beneden is omgeklapt en dus zijn achterkant toont en die achterkant is zwart. Zwart als het Zwarte Vierkant, zwart als het gemaltraiteerde schilderij waarover ik het hierboven had. Met andere woorden: letterlijk achter formaliteit en expressie bevindt zich nog een zwart monochroom dat naar voren kan worden gehaald (de achterkant wordt de voorkant) en dáárachter bevindt zich weer de witte muur, dat wil zeggen: de ‘echte’ materiële wereld, of ‘de kunstcontext’, onderdeel van de white cube. Door het wegsnijden van het doek ter plekke blijft een soort raam over waardoor we ‘niets’ zien, dat wil zeggen: bijna niets, want een witte muur is bepaald niet niets, je kunt je er te pletter tegen lopen.

Tekst: Philip Peters
Tentoonstelling: Creating the Void (2011)

www.creatingthevoid.nl


Met dank aan Stroom Den Haag             Fotografie Jhoeko